Bemesten

Dolblij met zo'n berg stront. Verse stalmest om de tuin te bemesten.
Dolblij met zo’n berg stront. Verse stalmest, afgeleverd door een boer, om de tuin te bemesten op tuincomplex Overkroeten.

 

Je kunt een heel ingewikkeld verhaal afsteken over grond, maar aan het eind van het verhaal zie je door de bomen het bos niet meer en is je interesse om te tuinieren ver te zoeken. Daarom houden we het kort en simpel. Grond moet bewerkt en bemest worden om planten goed te kunnen laten groeien. Elk jaar opnieuw. Hierdoor verbeter je de ‘leeflaag’ en krijg je uiteindelijk goede teeltgrond.

De discussies over grond zijn oneindig. De een zweert bij het in cultuur brengen van de teeltgrond terwijl de ander juist de natuur haar werk wil laten doen. Feit is wel dat wanneer je grond gebruikt om er intensief op te telen dat je iets aan die grond terug moet geven om die gezond te houden. Dat doen we door bemesting. We brengen dan voedingsstoffen terug in de grond die verkregen zijn uit

proefvakken met groenbemesters om de exacte werking ervan te kunnen bepalen
proefvakken met groenbemesters om de exacte werking ervan te kunnen bepalen

compost, mest of groenbemesters (gewassen zoals rogge, klaver etc. die de grond verbeteren gedurende een bepaalde periode).

Alles draait erom dat we de leeflaag, de laag grond van zo’n 30 cm onder het oppervlak, luchtig houden, zodat planten er makkelijker en beter in kunnen groeien. Dat doen we door de grond regelmatig om te spitten en er mest doorheen te werken. We zorgen er dan voor dat er voedingsstoffen de grond in gewerkt worden en dat de losgemaakte grond makkelijk water op kan nemen en vasthouden. Bemesting van de grond zal daarvoor gaan zorgen. Zonder bemesting zal de grond op den duur verschralen en verzanden en zal er weinig op willen groeien doordat die grond steeds vaster en compacter wordt.

tekening leeflaag
Een schematische voorstelling van de leeflaag waar het allemaal om draait

 

Compost en mest dienen wel goed verteerd te zijn voordat je het in de grond kan werken. Als mest of compost nog ruikt is deze nog niet volledig omgezet door bacteriën en schimmels en dat komt het bodemleven niet ten goede.

Maar lang niet alle groenten hebben een lading mest nodig. Wortelen, bijvoorbeeld, doen het goed op losse wat armere grond, maar kolen willen juist goed bemeste grond en verlangen ook kalk. Het is dus aan te raden om eerst goed te bestuderen wat de gewassen die je wil gaan telen nodig hebben voordat je je hele tuin vol mest stort. Daarnaast bestaan er vele soorten mest. Als je een teeltplan maakt kun je meteen gaan bepalen welke mestsoort er per perceel verwerkt moet worden.

Een overzicht.
Paardenmest of koeienmest (minstens 2 tot 3 jaar verteerde) vlas/stro. 100 kg geeft 10 tot 12 kg stabiele humus.
Kompost (Keuken en tuinafval) 100 Kg geeft 12 kg stabiele humus.
Champignonmest (meestal paardenmest met stro gemengd, waarop teelt v/d champignons werd toegepast) 100 Kg geeft 10 Kg stabiele humus. (Bevat veel zouten en weinig bruikbare voedingsstoffen).
Bladaarde (Meestal zuur)
Veenmos (Zuur), weinig ecologisch verantwoord
Groenbemesters: vb. : mosterd, rogge, granen, klaver, bladrammenas, gele lupine,… Aanvullende elementen kunnen makkelijk toegevoegd worden met korrel’mest’stof. (Stikstof, Kalium, Fosfor, Magnesium, Calcium, Zwavel,….). 
Nadeel soms: zorgt snel voor overbemesting. Snelle ophoping van zouten (geeft wortellekkage tot gevolg). Opletten in serres.(Opstapeling gebeurt hier nog sneller, geen uitregening hier)
Spoorelementen : ijzer, mangaan, ….
Beendermeel: bevat veel stikstof en fosfaat
Bloedmeel: bevat veel stikstof en fosfaat Beter is deze toch ietwat achterwege te laten met de BSE toestanden. Daar er nog geen bewijs of uitsluitsel over gegeven werd qua toepassing.
Zeewiermeel: bevat veel stikstof en kaliumcarbonaat.
Kali: bevat stikstof en fosfaat en kaliumcarbonaat.
Houtasse: over ’t algemeen van berkenhout bevat vooral kaliumcarbonaat.
Anorganische of scheikundige bemesting: bijsluiter altijd aandachtig lezen, omwille de hoge concentraties.

Alternatieve aanvullingen
Lichte bemesting door middel van groenbemesters of vlinderbloemigen. Mosterd (of andere), word al eens aangeplant als groenbemester. Zodra de plant een hoogte van 20 cm heeft bereikt word deze ondergespit en als het ware gecomposteerd. Deze onttrekken zeer weinig stikstof aan de bodem (voor de omzetting), daar de planten geen sterke vezels bevatten. Op deze manier verkrijg je een gesloten kringloop, daar alle nutriënten terug in de bodem komen. Wat in een moestuin anders niet het geval is, daar de groenten worden geconsumeerd en niet gecomposteerd.
Soms ook worden vlinderbloemigen geteeld. Deze laten stikstofknolletjes achter in de bodem. Ze worden aangemaakt door de plant ondergronds, en dit in samenhang met bacteriën die in ‘symbiose’ leven met deze. (Stikstofbinding vanuit de lucht die gebonden word). Wanneer je dan een aanplanting doet binnen de 6 maanden, kan je deze N2 knolletjes benutten als ‘meststof’.

Op de tuincomplexen van de BAT kopen we in veel gevallen collectief mest in. Stalmest en champignonmest. Door te spitten in voren van anderhalve spa diep werken we die verse mest onder de leeflaag (zie het hoofdstuk spitten) waardoor de mest in de grond composteert. Het jaar daarop spitten we die verteerde laag weer in de leeflaag van de vorige voor zodat deze zijn werk als verteerde humus kan gaan doen. Door dit proces elk jaar te herhalen krijg je op den duur zeer vruchtbare grond.

Over verse stalmest valt niet veel meer te vertellen dat het ongeschikt is als bemester omdat het eerst nog moet verteren. Daarom kun je de verse mest beter opslaan op de tuin of op de composthoop om die vertering te laten plaats vinden. Daar staat twee tot drie jaar voor. In de compostbak gaat het verteringsproces wel sneller maar hou die periode van twee tot drie jaar maar gerust aan. Champignonmest is een ander verhaal. Die is al verteerd maar daar kleven ook wat nadelen aan.

Champignonmest

Bron: De Tuinier, mededelingenblad van de B.A.T.
Informatie overgenomen uit edities voorjaar en zomer 2003
Wat is het ?
Champignonmest is geen mest van champignons ! 
Champignons worden gekweekt op paardenmest die met kippenmest plus kalk werden gecomposteerd. 
De mest wordt bedekt met een laagje zand. Daarop worden de champignonsporen gezaaid.
Na de oogst wordt deze sterk verteerde mest te koop

Nog nadampende champignonmest.
Nog nadampende champignonmest.

aangeboden als bodemverbeteraar en bemester: vaak onder namen als champost en kampernoliemest.

 Eigenschappen: Champignonmest verhoogt de PH in de bodem, het werkt alkalisch. Afhankelijk van uw situatie werkt dit in je voor- of nadeel:
Voordelen
- champignonmest is redelijk evenwichtig
- een kalkrijke meststof
- lijkt op compost met korte structuurweefsel
- licht gewicht
- makkelijk te verdelen
- makkelijk onder te werken
- goed verteerd
- werkt alkalisch, goed voor gronden met een lage ph (zure gronden)
- vrij van onkruidzaden

Nadelen
- voor de teelt van champignons wordt de mest met chemische middelen ontsmet; 
men kan zich vragen stellen over de achtergebleven residu’s in de mest
- in de champignonteelt worden verschillende schimmeldodende en insectendodende middelen gebruikt
- werkt alkalisch, op een grond met een hoge ph niet gebruiken!
- verse champignonmest veroorzaakt groeiremmingen bij jonge planten. Men kan best de mest nog enige maanden op een hoop laten narijpen
- bevat wisselende concentratie aan zouten, niet gebruiken voor zoutgevoelige gewassen
- bij gebruik in het gazon kunnen later ‘storende’ paddestoelen groeien

Groot assortiment DCM producten. Voor elke plant een speciale meststof.
Groot assortiment DCM producten. Voor elke plant een speciale meststof.

Een bemesting van een totaal andere orde is precisie bemesting met speciaal geselecteerde stoffen voor verschillende soorten groente. Zo heeft DCM bijvoorbeeld een uitgebreid en toegespitst programma meststoffen op zuiver organische basis voor alle soorten groente, fruit en aardappelen. Het kost wel wat maar hiermee kun je heel gericht  je tuin bemesten voor goede resultaten. Naast DCM zijn er natuurlijk meer leveranciers van meststoffen maar met DCM heb ik in ieder geval zeer goede ervaringen.

Tot slot wil ik benadrukken dat voor elke tuinder het uiteindelijk toch op zijn/haar eigen manier zal gaan doen. Je zal zien dat de resultaten met jou eigen keuzes de beste zijn en je maakt vanzelf een mix van alles wat je hier leest en op de tuin van je medetuinders hoort. Iedereen zal zo zijn eigen weg vinden maar het is vooral belangrijk dat je begrijpt dat plantjes niet vanzelf groeien.

Voor de liefhebbers heb ik twee documentaires uitgezocht die wat dieper ingaan op bemesting van de teeltgrond. Een hele mooie is deze van Rebecca Hoskin. Het is een BBC documentaire uit 2009 over de wereldwijde voedsel- en landbouwcrisis die aanstaande is.

Rebecca Hosking, een boerendochter die documentaire-filmer werd, gaat in op het energiegebruik in de landbouw, dat in de komende jaren kritiek zal worden, zonder in paniek te vervallen. Aan de hand van voorbeelden in Engeland verkent ze de mogelijke perspectieven, zoals een milieuvriendelijke land en tuinbouw die ons leven zou kunnen veranderen. Ze kiest ervoor om terug te keren naar de boerderij waar ze opgegroeid is en gaat die van haar vader overnemen. Maar hoe gaat ze boeren? Er komen wetenschappers van naam aan het woord: Patrick Whitefield, Rob Hopkins, Rosie Boycott, Richard Heinberg, Tim Lang e.a.. Niet alleen permacultuur-enthousiastelingen komen hier aan hun trekken: elk weldenkend mens kan zijn/haar voordeel doen met deze documentaire.
Nederlands ondertiteld

Een andere belangrijke documentaire is ‘Dirt’ (grond). Deze sterke film is helaas niet Nederlands ondertiteld maar voor wie een beetje Engels verstaat is hij al goed te volgen. Hierin gaat men dieper in op de betekenis van grond en hoe je met die grond om zou moeten gaan.

Van kool tot zuurkool

Zuurkool maken is een dankbaar en smakelijk proces dat eigenlijk uit twee delen bestaat. In eerste instantie het telen van geschikte kolen en in tweede instantie het verwerken van de witte kool tot zuurkool.

DCIM100MEDIAWe beginnen bij het begin. Je hebt geschikt zaad en een zaaibakje en dat bakje zet je medio Maart onder glas, in de kas of koude bak, en met een beetje warmte begint het al na een paar dagen te kiemen.  Als de jonge plantjes twee echte bladeren hebben (vier inclusief kiemblad) kun je ze gaan oppotten.

DCIM100MEDIA

Ik gebruik daar een potjespers voor. In het filmpje hieronder kun je zien hoe dat werkt. De potjes gaan in een bak en die gaat weer terug in de kas.

DCIM100MEDIA

Met tal van andere plantjes staat de kool voorlopig in de kas en in die periode leer je waar de uitdrukking ‘groeien als kool’ vandaan komt. De koolplantjes winnen de groeiwedstrijd ruimschoots van hun concurrenten.

DCIM100MEDIAZo rond Mei (ik hou altijd de IJsheiligen als kalender aan) kunnen de plantjes, die dan al behoorlijk fors zijn, de volle grond in. Om te voorkomen dat de duiven alles opvreten doe ik er in het begin nog even een plastiektunnel overheen zetten. Dat helpt ook goed bij een vorst-verrassing. Ik plant altijd meer kool dan ik voor de zuurkool nodig heb, want het komt toch wel op. Op deze wijze weet ik zeker dat ik aan mijn gewenste kilo’s kom. Ik reken zeven kilo kool voor één vat zuurkool en omdat ik twee vaten vul heb ik dus 14 kolen van ten minste een kilo nodig. Maar het kan zomaar gebeuren dat je kolen van vierenhalve kilo krijgt en ik heb er al eens een gehad van bijna zeven kilo.

DCIM100MEDIA

In deze oogst had ik ruim 20 kilo kool. Veel meer dan ik zelf kon eten en daarom kon ik er wat vrienden blij mee maken. Wat ik niet nodig had kon ook verwerkt worden tot een mooie basis voor een heerlijke Aziatische rijstschotel en weet ik wat allemaal niet meer. De geoogste kolen moeten een week op het land blijven liggen om af te sterven. Daarna kun je ze pas verwerken.

Het recept

zuurkool-recept-724x1024
Klik op de afbeelding om de pagina te vergroten zodat deze leesbaar wordt. Je kunt hem dan ook downloaden.

De bereidingswijze

Klik op de afbeelding om de pagina te vergroten
Klik op de afbeelding om de pagina te vergroten
Klik op de afbeelding om de pagina te vergroten.
Klik op de afbeelding om de pagina te vergroten.

 

 

Aardappels oogsten en bewaren

belt-1

Nu de aardappels weer van het land af komen dient zich meteen ook een probleem aan. Waar laat je zo’n lading eetbaar goud? Je kunt ze in kisten of manden doen en thuis op een donkere, koele, plaats bewaren maar je zal zien dat de aardappelen beginnen te spruiten rond November-December en na die tijd worden ze steeds slapper en minder smakelijk.

Er is en oude boeren methode om aardappels op het land te bewaren. In de zogenaamde ‘aardappelbelt’. Aardappels worden dan niet ingekuild, maar ‘opgekuild’. Bovenop het maaiveld. Hoe dat werkt zie je hieronder. Uit eigen ervaring blijkt deze methode het beste te zijn van alle andere methodes, als je tenminste af wil zien van het gebruik van ‘anti-spruit’ chemicaliën.

doorsnede

Op bovenstaande tekening zie je een dwarsdoorsnede van een aardappelbelt. De aardappelen worden op de grond gestort en afgedekt met stro. Daarna schep je er een dikke laag aarde tegenaan die je rondom de aardappelbelt uitgraaft zodat er meteen een soort van mini gracht ontstaat waarmee je het overtollige regenwater op kunt vangen en zelfs af kan voeren zodat je aardappelen niet nat worden en gaan rotten.

belt-2Je stort je oogst gewoon op de vrijgekomen grond en dekt die berg af met stro. Het mooiste is als je over lange ongebroken stro-stelen kunt beschikken waardoor de afwatering onder het zand optimaal is. Wij verkregen dat ongebroken stro door ons graanveldje met de hand af te maaien en met de hand te dorsen (zie het artikel over graan telen op de Overkroeten-site). In dit hoofdstuk tref je tevens alle informatie over onze ervaringen met eigen graan.

belt-3Als je al het stro rond de aardappelen hebt getast krijg je een soort kleine hooiberg en zie je geen enkele aardappel meer liggen. Dit dient ter isolatie van de aardappelberg eronder. Het stro zorgt voor voldoende ventilatie en isolatie voor zomer en winter. Als je daarmee klaar bent kun je je schep in de grond zetten om een geul rond de aardappelbelt te gaan graven en de uitgegraven kun je vervolgens tegen het stro aan leggen. graaf de geul in een ruime cirkel rond de berg want je hebt ruimte nodig om de grond op te leggen.

belt-4

Als dat gedaan is ziet de aardappel belt er zo uit. Er zit dan een dikke laag grond om het stro heen van zo’n 10 tot 15 cm.

belt-5

Met je hand graaf je een gat uit dat net groot genoeg is om er je hand doorheen te kunnen steken om er aardappelen uit te kunnen halen. Je zal zien dat het moeite kost om door de strolaag heen te graven.

belt-6Het gat dicht je af met een dot stro en daar leg je dan een dikke kluit grond op. Nu kunnen de aardappelen bewaard worden tot de volgende aardappeloogst. In de winter is het in de belt warmer dan buiten. Dat komt enerzijds door de isolerende werking van het stro maar ook omdat de aardappelen warmte vasthouden. Het kan buiten 20 graden vriezen en in de belt net boven nul zijn. Dat was een ervaring die ik opdeed in de winter van 2011.

DCIM100MEDIA

Op de bovenstaande foto zie je een dwarsdoorsnede van een aardappelbelt in het voorjaar. Sommige aardappels zijn gaan spruiten maar onderin zijn de aardappels nog steeds van perfecte kwaliteit. We hebben er toen frieten van gebakken omdat de volgende oogst er al weer aan zat te komen.

Muizen houden van aardappelbelten en reken er maar op dat er een aantal in zullen zitten. Ze doen zich tegoed aan de warmte en de aardappelen maar eten nooit zoveel als jij.

aardappel

Op de bovenstaande foto zie je een van de aardappelen waar muizen zich tegoed aan hebben gedaan. In totaal waren dat er maar een paar. Dus de schade valt enorm mee.

Woelmuis op Plaswijk

Cees
Cees van Hengstrum

Tuinder Cees van Hengstrum (complex Plaswijk) verraste ons op een bijzonder filmpje dat hij maakte van een muis in zijn compostbak. Het betreft hier een woelmuis die het prima naar zijn zin heeft tussen de compost en de verse aanvoer goed weet te waarderen. Cees, bedankt voor dit erg leuke, en knap gemaakte, filmpje.

 

Interview met Willy Willemsen

Vanaf 1995 tot en met 2013 bestuurde hij de BAT met ongeremde passie en overgave. In zijn regeerperiode veranderde de vereniging van een stille wroetende club op de achtergrond naar een bruisende vereniging in het Bredase. Van lege tuinen tot lange wachtlijsten. Het was niet makkelijk om het hele verhaal in 10 minuten film te persen maar het geeft wel een indruk van een tijdperk tuinieren in Breda met Willy Willemsen aan het roer. Met elf tuincomplexen en meer dan 550 leden is de BAT een club van betekenis geworden.