Volkstuin historie

De geschiedenis van de volkstuin
Over de historie van de moestuin en de volkstuin kunnen we heel kort zijn. De moestuin is zo’n 10.000 jaar oud en was het directe gevolg van de Neolithische revolutie. De volkstuin deed haar intrede zo rond 1840 als gevolg van de Industriële revolutie. Het verschil zit ‘m in het feit dat moestuinen stap voor stap ontstonden uit de ontdekking van het telen en de volkstuinen ontstonden uit bittere armoede. De kennis van het telen van je eigen groente was toen al ruimschoots voor handen, terwijl dat 10.000 jaar geleden nog geheel ontdekt moest worden. Om een beter idee te geven van het ontstaan van de volkstuin moeten we eerst even terug in de tijd om te begrijpen wat hieraan vooraf ging.

DCIM100MEDIA

full21871038
De eerste boeren leerden zichzelf aan hoe ze graan moesten verbouwen. Later begon men ook andere eetbare gewassen te telen.

Neolithische revolutie
Aan het eind van de ‘Kleine IJstijd’, zo’n 10.000 jaar geleden, toen het grootste deel van onze planeet was bedekt met een dikke laag ijs, leefden er nog slechts een paar duizend mensen op de hele aarde. Zij hadden de dodelijke kou weten te overleven en settelden zich op drie plaatsen in de wereld. De vruchtbare sikkel, het gebied rond Mesopotamië en Egypte, China en Zuid-Oost Azië, en Amerika. Dat waren de gebieden waar de allesoverheersende kou, sneeuw en ijs voor de minste overlast zorgden en waar mensen konden overleven. Omdat men zich daar op zeer vruchtbare grond bevond, waar feitelijk alles op wilde groeien, ontdekte men de mogelijkheid om geoogst graan te zaaien en te telen. Van het een kwam het ander en zo ontdekte men meer eetbare gewassen die geschikt waren voor de teelt. Deze ontdekking heeft de mensheid gered van de totale ondergang.
Zonder deze ontdekking zou de mens beslist uitgestorven zijn. Opmerkelijk is wel dat deze ontdekking ongeveer tegelijkertijd op verschillende plaatsen in de wereld werd gedaan. Het is zo goed als uit te sluiten dat deze volkeren onderling contact hadden. Daar was de afstand gewoon te groot voor.
Toen men 10.000 jaar geleden de grote stap zette, van jager-verzamelaar naar boer, veranderde het menselijk bestaan totaal. We renden niet langer meer achter ons voedsel aan maar settelden ons op een vaste plek waar hutten gebouwd werden om er permanent te kunnen wonen. Aanvankelijk werden er alleen granen geteeld en geoogst, maar door die ervaring ontwikkelde men ook steeds meer teeltmogelijkheden voor andere eetbare gewassen. De boer begon die gewassen om de eigen hut te planten in de moestuin, ook wel boeren tuin genoemd. Hij zette er een hekje omheen ter afscheiding en kon zo beschikken over een eigen teelt waarmee hij zijn gezin de winter door kon loodsen. Het duurde nog eeuwen eer men in staat was om de verschillende rassen zodanig te veredelen dat er controleerbaar geteeld kon worden. Vóór die tijd werd er vooral op de gok geteeld en gingen oogsten eerder verloren dan dat er succesvolle oogsten binnen gehaald konden worden. Ook de opbrengst van de gewassen liet veel te wensen over. De vruchten waren veelal miserabel en in de eerste eeuw na Christus schreef de Romeinse schrijver Tacitus over de armzalige tuinen van de Germanen en de Galliërs. In Rome had zich toen al een heuse tuincultuur ontwikkeld die in dit deel van Europa nog ontdekt moest worden.

Wetenschappelijke ontwikkeling
De eerste moestuinen bestonden veelal uit gecultiveerde rassen als kool, rapen, wat schrale wilde wortelen, peulvruchten, druiven, bessen van de meidoorn, sleedoorn, inheemse vogelkers, wilde appels en peren, hazelnoten en beukenootjes. Pas in de late middeleeuwen werden rassen als veldsla, ui, prei, etcetera ontwikkeld en kwam de veredeling van gewassen pas goed op gang rond 1750 toen het veredelen een wetenschap werd. Pas in 1880, SAE01_076-374_Wtoen men de wetmatigheden van genetische vererving begreep, kwam het veredelen van rassen in een heuse stroomversnelling en verscheen er een enorme diversiteit aan groentesoorten en rassen. De beroepsmatige uitoefening van plantveredeling kwam toen op gang en voor het eerst verscheen er een vorm van zaadhandel die specifiek bedoeld was voor de teelt van groente. Voorheen teelde men van zelf vergaard zaad van doorgeschoten planten. De veredeling van pootgoed, denk hierbij aan pootaardappelen, volgde deze tred. Er werden op steeds grotere schaal rassen gekweekt die resistent waren tegen ziekten en plagen en de kans op een goede oogst aanzienlijk vergrootte.

De Neolithische boer moest alles nog ontdekken. Wat men toen al wèl wist was dat je zaden moest zien te winnen van de beste planten die je aantrof. In feite was dat al een vorm van veredeling. Door die techniek lukte het de vroege boeren om hun moestuin op te zetten en daar een heel jaar van te leven. Ze zaaiden meer planten dan ze nodig hadden omdat het merendeel van wat ze zaaiden niet opkwam of vroegtijdig het leven liet. Slechts een klein deel van wat ze zaaiden kon ook werkelijk geoogst worden. Het bewaren van geoogst voedsel was een tweede stap in de overlevingskunst. Door de eeuwen heen ontwikkelde de mens tal van bewaarmethodes, zoals inmaken, conserveren, inkuilen en opkuilen, drogen etc.
Later begon men meer te telen dan het eigen gezin nodig had. Zo ontstond de handel in voedsel en de handel in het algemeen. Maar ook werden er toen de eerste stappen naar landbouw gezet en werden er percelen aangelegd met groenten van één soort. De boer kon zo handel drijven met die grotere percelen en grotere partijen voedsel. Zijn moestuin gebruikte hij, naast zijn teelt voor de handel, voor pure zelfvoorziening. Dat principe heeft tot in de jaren ’50 stand weten te houden. Toen werd de wereld overspoeld met oliedollars en ontstond er een onnatuurlijke welvaart die tot op de dag van vandaag voortduurt. De moestuinen raakten in onbruik maar zijn nooit helemaal verdwenen. De landbouw sector veranderde in een industrie en voedsel werd zo goedkoop dat het geen nut meer had om zelf nog langer een moestuin te onderhouden om het gezin te kunnen voeden. De supermarkt was domweg goedkoper dan de eigen teelt.

De Industriële revolutie en de tuin voor het volk
De volkstuin kent een andere geschiedenis die nauw verwant is aan de moestuin. Ten tijde van de Industriële revolutie (±1850) kwam er een volksverhuizing van boeren op gang die het platte land verlieten om in de stad te gaan werken in een fabriek. De boeren zochten hun geluk in de stad maar kwamen vaak bedrogen uit. Het loon dat ze konden verdienen was zo laag dat ze genoodzaakt waren om hun karige dieet aan te vullen met eigen verbouwde groente, aardappelen en fruit. Ze waren uitstekend bekend met het onderhouden van een moestuin en brachten die kennis in praktijk in de stad waar ze op dat moment woonden. En omdat ze geen beschikking hadden over eigen grond werden die tuinen vaak aangelegd op braakliggende stukjes grond net buiten de stad. Sommige arbeiders hadden het geluk dat ze hun voedsel mochten telen bij een boer die hen grond beschikbaar stelde voor een zeer laag bedrag, maar omdat de meeste arbeiders geen geld hadden om grond te pachten ontstond er een wildgroei aan illegale tuinen aan de randen van steden.
Deze illegale moestuinen waren een doorn in het oog van de stedelingen die het maar een armoedige bende vonden en het liefst de arbeiders met hun tuinen uit de stad zagen verdwijnen. Ook de huisvesting van de arbeiders liet veel te wensen over. Ze hadden gewoon niet het geld om zich fatsoenlijk te huisvesten en waren niet in staat om zich uit die ellende te onttrekken omdat ze vrijwel allemaal analfabeet waren en dus niet in staat waren om de heersende macht schriftelijk van hun nood te overtuigen. Daardoor was de armoede enorm groot.
Tot overmaat van ramp begonnen gemeenteraden, stadsbewoners en industriëlen zich tegen de illegale moestuinen te keren die door hen, uit esthetische overwegingen, met de grond gelijk gemaakt werden waardoor de arbeiders in nog grotere ellende terecht kwamen dan ze al zaten. Het probleem met de arbeiders was toen zo groot dat er een oplossing voor bedacht moest worden. Die kwam uit de hoek van de sociale woningbouw. Socialisten en kerkelijk leiders begonnen zich de ellende van de arbeiders aan te trekken en ontwikkelden een plan om hen betaalbaar te huisvesten en een oplossing te vinden voor hun behoefte om zelf groenten, aardappelen en fruit te verbouwen. Naast wooncomplexen werden er toen ook moestuin-complexen aangelegd. Zo ontstonden de eerste tuinen voor het volk (lees arbeiders) en was de volkstuin een feit.
Het eerste complex in Nederland werd in 1838 aangelegd in Franeker. Dat was een initiatief van een vereniging onder de naam ‘Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen’. Deze vereniging kwam voort uit een samenwerkingsverband tussen ambtenaren van de gemeente en bestuurders van de woningbouw coöperatie. Deze vereniging stond los van de woningbouw vereniging en had een eigen bestuur.
Het succes van dit initiatief werd snel landelijk overgenomen en zo ontstonden er overal in Nederland verenigingen van volkstuinders. Maar daarmee was het leed nog niet voorbij. De stukken grond die gemeenten ter beschikking stelden werden met het grootste gemak onteigend omdat er een herbestemming van die grond plaats moest vinden voor de aanleg van woningen, fabrieken of wegen. De tuinders hadden geen poot om op te staan. Hun verenigingsbesturen waren in veel gevallen niet bij machte om zich tegen deze vorm van onteigening te wapenen en moesten vaak met lede ogen toezien hoe hun tuinen met de grond gelijk werden gemaakt.
Soms had een volkstuinders vereniging een bekwaam bestuur dat de hulp van de politiek of de Kerk in wist te schakelen om vernieling van tuinen ongedaan te maken of om compensatie af te dwingen. Het waren kleine successen die de inspiratie vormden voor een overkoepelende organisatie die voor alle volkstuinders verenigingen in de bres kon springen als dat nodig was. Die vereniging werd het Algemeen Verbond van Volkstuinders Verenigingen Nederland (AVVN) genoemd en die vereniging had een zodanig bekwaam bestuur dat men ook invloed uit kon oefenen op de landelijke politiek. Hierdoor kwam er een verandering tot stand die de volkstuinders aanzienlijk minder kwetsbaar maakte.

De meeste volkstuinders verenigingen werden opgericht in de periode rond de eerste wereldoorlog. Zo ook onze eigen BAT die in 1918 werd opgericht. De reden daarvan was dat de verenigingen mondiger werden en over steeds bekwamere bestuursleden konden beschikken die vaak in directe verbinding stonden met ambtenaren, kerkelijk leiders en lokale politici. De volkstuinen werden niet langer uitsluitend bevolkt door fabrieksarbeiders maar ook door ambtenaren, docenten en kunstenaars.
Hierdoor veranderde ook de aard van de volkstuin. Deze werd niet Aan_het_werk_in_de_moestuinlanger gezien als een noodzakelijke tuin voor voedselvoorziening maar ook als recreatieplaats. Een prachtige plek om er met je gezin, vanuit de stad, naartoe te trekken om te genieten van de rust, de natuur en je eigen oogst. Tot in de jaren ’50 werden op de volkstuinen louter groenten, aardappelen en fruit verbouwd maar na 1950 kwamen er ook siergewassen op de tuinen te staan.
Dat leidde ertoe dat ook steeds meer stedelingen de volkstuin gingen ontdekken als ideale plaats om te recreëren. Maar door verder stijgende welvaart werd de volkstuin, rond de jaren ’70, al weer ingeruild voor zeer luxe vakanties of andere vormen van recreatie die tot die tijd alleen weggelegd waren voor de welgestelden. De volkstuin raakte langzaam maar zeker in onbruik. Alleen de echte ‘die hards’ bleven stug door tuinieren. Het gevolg was dat er steeds vaker tuinen leeg kwamen te staan omdat er geen nieuwe huurders voor gevonden konden worden.
Een ontwikkeling van een geheel andere orde was de individualisering van de samenleving. De verenigingsgeest ging daardoor verloren. Nieuwe leden wilden wel een voordelige tuin maar men was niet bereid om deel te nemen aan een vereniging. Het eigenbelang stond hierin voorop. Men wilde optimaal profiteren van de lusten en niet delen in de lasten. Dat was een maatschappelijke trend die tot gevolg had dat er op werkochtenden slechts een paar leden verschenen. Altijd de zelfde mensen die het algemeen onderhoud voor hun rekening namen en knarsetandend moesten toezien hoe de ‘profiteurs’ hen het vuile en zware werk op lieten knappen. Deze ontwikkeling zette uiteraard veel kwaad bloed waardoor er op de complexen spanningen ontstonden die niet erg bevorderlijk waren voor de goede sfeer op een volkstuinencomplex. Hierdoor ontstond nog meer leegstand en ledenverval.

In het onderstaand filmpje uit het Polygoon journaal uit 1952 is te zien hoe de volkstuin veranderde van een noodzakelijke bezigheid in een meer plezierigere vorm van eten uit eigen tuin.

Maar rond de eeuwwisseling begon zich weer een nieuwe trend te ontwikkelen op de complexen. Nieuwe tuinders dienden zich aan. Zij namen een volkstuin omdat ze schoon genoeg hadden van de afstandelijke voedselcultuur waarin we leven. Zij wilden onbespoten, eerlijke groente eten en niet langer afhankelijk zijn van een landbouw industrie die maar raak strooide met vergif en pesticiden. Daarnaast ontwikkelde zich nog een andere nieuwe trend.20130609_163105[1]
Naast het telen van onbespoten voedsel begon men ook te kijken naar exclusieve rassen. De zogenaamd ‘vergeten groenten’ werden herontdekt, als mede de exclusieve rassen die niet in de schappen van de supermarkt te vinden zijn. De culinaire tuinder was geboren. De lijn van tuin naar keuken was een logische volgende stap voor fijnproevers en liefhebbers van culinaire hoogstandjes. Het zijn mensen die weten hoe ze van het leven moeten genieten en die nieuwe trends op het gebied van buiten leven en buiten koken op de voet volgen. Zij introduceerden het ‘koken op de tuin’. Met betrekkelijk eenvoudige middelen 1082542_571258842920386_135373078_okunnen zij een fantastische maaltijd klaarmaken op hun volkstuin en die met hun medetuinders, op de tuin, gebruiken. Al dan niet aangevuld met eigen gemaakte likeurtjes of bijvoorbeeld vlierbloesem champagne.
Hierdoor krijgt het verenigingsleven, en de collectiviteit, weer een impuls. De (verplichte) werkochtenden zijn niet langer een noodzakelijke hindernis maar een gelegenheid om met elkaar het complex te onderhouden onder het genot van koffie, thee, zelf gebakken cake en koek, soep etcetera. Meer een gelegenheid waar de leden naar uitkijken dan een hinderlijke verplichting waar je tegenop ziet.
Door deze nieuwe insteek zijn volkstuinen complexen ineens weer in de belangstelling komen te staan en bestaan er zelfs wachtlijsten voor nieuwe leden omdat er gewoon geen plek is. Ook de economische crisis heeft daartoe bijgedragen. Veel nieuwe leden zoeken een uitweg uit de zorgen en zien een volkstuin als een geweldige manier om je even lekker te kunnen ontspannen en als bron van verse eigen groenten, aardappelen en fruit. Met de huidige voedselprijzen is een volkstuin weer lonend. Als je, bijvoorbeeld, bedenkt dat je van 2.5 kilo pootaardappelen zo’n 60 kilo consumptie aardappelen kan maken is de winst snel uitgerekend.1077625_571258332920437_1519663063_o

Tussen tuinieren en koken zit een logisch verband. Niet voor niets wordt in Engeland de moestuin ‘kitchen garden’ genoemd. De tuin voor de keuken is al 10.000 jaar lang een menselijk begrip. Het is de tuin die aan de keuken grenst en die speciaal voor die keuken is aangelegd. De volkstuin ligt doorgaans wat verder van de keuken thuis verwijderd maar heeft exact dezelfde functie.
Hoe belangrijk de moestuin voor de mens is komt pas goed in beeld in crisistijd. Ten tijde van oorlog vallen mensen hierop terug. Als een soort aangeboren automatisme gaan we tuinieren zodra we aanvoelen dat er iets mis dreigt te gaan. Ergens in onze genen zit dat verankerd. En dat een dergelijke stap levens kan redden werd al vele malen in de geschiedenis bewezen.

Ten tijde van de tweede wereldoorlog werden wereldwijd moestuinen aangelegd in steden. Op plantsoenen en zelfs in bomkraters, midden in grote steden, zoals in Londen.

Groentetuin in een bomkrater mdden in Londen tijdens de 2e wereldoorlog
Groentetuin in een bomkrater mdden in Londen tijdens de 2e wereldoorlog

 

Een Victory Garden bij het gemeentehuis van San Francisco. De tuin bestaat overigens nog steeds, maar dan meer omdat mensen het leuker vinden dan een saai plantsoen.
Een Victory Garden bij het gemeentehuis van San Francisco. De tuin bestaat overigens nog steeds, maar dan meer omdat mensen het leuker vinden dan een saai plantsoen.

 

Berlijn 1946 veranderde in één grote stadstuin
Berlijn 1946 veranderde in één grote stadstuin

Het platgebombardeerde Berlijn veranderde direct na beëindiging van het krijgsgeweld in één grote moestuin waar grote groepen stedelingen hun voedsel gingen verbouwen en het was te danken aan een overhaast ingestelde overheidsmaatregel dat overal in Amerikaanse steden moestuinen op plantsoenen werden aangelegd om voedseltekorten op te kunnen vangen. ‘Victory gardens’ werden die tuinen genoemd. Door gebrek aan landarbeiders, die waren toen ver van huis aan het vechten om een oorlog te kunnen winnen, moest men tot deze noodmaatregel over gaan om voldoende voedsel te telen voor de achterblijvers in eigen land.

Poster uit de 1e wereldoorlog
Poster uit de 1e wereldoorlog

De moestuin is een cruciale schakel in een overlevingsstrategie die wij nooit uit het oog zullen verliezen. In onze huidige crisis, de financiële crisis die velen aan de rand van de afgrond bracht, ontstonden voedselbanken. Die werden in een aantal gevallen voorzien van verse groenten uit volkstuinen. Menig volkstuinder zaaide wat extra sla, andijvie of kool om de nood van de medemens enigszins te ledigen. Enkele initiatiefnemers van een voedselbank begonnen zelf een grote moestuin om iets aan de vaak schrijnende situatie te kunnen doen van gezinnen met jonge kinderen.

 

 

uncleSamGardenWW1
Aanmoediging tot zelf tuinieren tijdens de 2e wereldoorlog

 

Hoe hoger de noodzaak wordt hoe meer moestuinen er ontstaan om de mens in staat te stellen om de regie over het eigen leven weer ter hand te nemen. Dat is een principe dat stamt uit een ver en grijs verleden toen we besloten om van jager-verzamelaar over te stappen op boer. Het geeft aan dat we die kennis nooit verloren willen laten gaan. Elk mens kan een moestuin aanleggen en onderhouden. En in elk mens schuilt een boer.